Preek ds. Michiel Pronk Preek ds. Michiel Pronk
Verkondiging naar aanleiding van Ezra 3:10 - 4:5 en 4:24  - 5:5

Gemeente van onze Heer Jezus Christus,

Het was een ervaring die iemand ooit met mij deelde. Hij had betrekking op de tuin. Degene was een liefhebber van tuinieren, maar eigenlijk alleen in het voorjaar. In het voorjaar, zo zei hij, kun je alles mooi ordenen, netjes maken maar als de zomer komt en alles loopt uit, werd het voor hem onbegonnen werk. Het ging allemaal te snel. Het overzicht raakte weg, er was voor hem geen beginnen meer aan.  Het liefst beperkte hij zich dan tot de bloempotten waar hij wel grip op had.

Aan deze ervaring moest ik denken bij de tijd waarin wij leven. Voor mij ook een tijd waarin ordenen onbegonnen werk is. Wie had gedacht dat wij nu weer met zo’n klein groepje in de kerk zouden zitten en het merendeel thuis voor het scherm? Ik in ieder geval niet. Juist had ik het gevoel van een klein beetje voorjaar. Dat wij toch wat plannen kunnen maken, vooruit kunnen kijken. Maar nee, het is niet zo. Wij zijn weer terug bij af.

In die ervaring van de wereld die ons ontglipt, van geen grip hebben staan wij niet alleen. Ook de situatie die wij aantreffen in ons Bijbelgedeelte kent die kant, maar daar vinden wij ook een zoektocht naar structuur, naar orde in een verder heel weerbarstige wereld.

Over die poging tot ordenen zijn twee verhalen te vertellen: een politiek verhaal en een godsdienstig verhaal. Beide wil ik vandaag noemen, omdat wij zo aan de ene kant de achtergrond zien waartegen de gebeurtenissen in ons verhaal plaatsvinden, maar ook omdat wij volgens mij in onze tijd te maken hebben met verschillende pogingen om onze wereld toch te ordenen: de poging van de overheid met al zijn maatregelen tegen het coronavirus en onze eigen manieren om in deze wereld een weg te vinden, wat structuur, orde aan te brengen.

Om met de politieke kant van ons verhaal te beginnen, wij weten vrij precies in welke tijd ons verhaal zich afspeelt. In de lezing horen wij over het tweede regeringsjaar van koning Darius, dat is rond het jaar 520 voor Christus. In de jaren ervoor hadden er grote politieke veranderingen plaatsgevonden. Het grote Babylonische rijk was verslagen door de Perzen. Daarmee was er een nieuwe politieke wind gaan waaien.

De tactiek van de Babyloniërs was om, als zij een volk overwonnen hadden, de elite, de hogere klasse weg te voeren. Dat was ook gebeurd met het volk van Juda. De leiders waren weggevoerd in ballingschap. De overweging achter dat wegvoeren was heel berekenend: als je zorgt dat een volk geen leiders heeft, heb je weinig te vrezen. De orde is weg. Het was dus een instrument om overwonnen volken onder de duim te houden.

De Perzen maakten een andere afweging. Zij dachten: je moet juist in die gebieden goede leiders hebben, mensen die goed bekend zijn met de lokale gewoontes, want dat zorgt dat voor economische groei en zodoende voor een hogere belastingafdracht. Hun politiek was dus om ervoor te zorgen dat de elite weer naar huis ging. Van die overweging profiteerden de leiders van het volk van Juda die in Babel waren. Zij mochten weer terug. Hun ballingschap was voorbij.

Wat de Perzen ook mocht, was de herbouw van de tempel. Nu waren de motieven van de Perzen daarin denk ik niet zo heel hoogdravend als dat zij godsdienstvrijheid hoog in het vaandel hadden. Waarschijnlijker is het dat het te maken had met die belasting. Als je wilt dat het innen goed gebeurt, heb je een goede organisatie en administratie nodig. Juist bij zo’n tempel had je mensen die konden schrijven. Een tempel gaf niet alleen orde aan het godsdienstige leven, maar ook aan het gewone, burgerlijke leven.

Dat is het politieke verhaal dat er speelt, hoe machthebbers hun doel proberen te bereiken, maar er is hier ook een godsdienstig verhaal te vertellen, want het terugkeren in het land en de herbouw van de tempel werd door het volk Juda en de leiders op een andere manier ervaren.

Voor hen had het alles te maken met God. Zo horen wij over de mensen, als het fundament gelegd wordt, ‘zij dankten en prezen de HEER, en ze zongen in beurtzang: ‘Hij is goed, eeuwig duurt zijn trouw aan Israël’. Dat er weer geofferd kon worden, werd ervaren als dat God voor hen zorgde. Trouw bleef aan hen.

Het beleven van die trouw werd beleefd als een herstel van orde die er was geweest.  Dat merken wij aan een korte opmerking in een langere zin: ‘de Levieten, de nakomelingen van Asaf, stelden zich op met cimbalen, om de HEER te prijzen volgens de aanwijzingen van David.’ Hier wordt verwezen naar de grote koning David, de aanstichter van de bouw van de tempel. Voor de mensen daar is het of oude tijden herleven. Zoals het een paar eeuwen gedaan is, gebeurt het weer. Je kunt de reactie van de mensen wel voorstellen; zij lachen, huilen, jubelen en juichen. Er wordt weer geofferd zoals het de eeuwen door dat gedaan is.

Maar het herstel van de orde is er maar gedeeltelijk. Het gevoel van een klein beetje voorjaar is er dan wel, maar de wanorde dreigt alweer snel de kop op te steken. Plannen maken blijkt toch erg lastig te zijn.

Eerst zijn er mensen die willen helpen: ‘Wij willen meehelpen met de bouw,’ zo horen wij hen zeggen, ‘want ook wij vereren uw God, wij offeren al aan hem sinds de dag dat Esarhaddon, de koning van Assyrië, ons hierheen heeft gebracht.’ De mensen die hier aan het woord zijn, zijn degenen die wij als Samaritanen kennen uit het Nieuwe Testament.

Met hen komt weer een politiek verhaal naar voren. Zij zijn slachtoffer van de politiek van de Assyriërs, de voorgangers van de Babyloniërs. Toen Israël, het tienstammenrijk in ballingschap was weggevoerd naar Assyrië, hebben de Assyriërs andere mensen naar dat gebied getransporteerd. Deze mensen waren perfect ingeburgerd. Zij trouwen met de mensen die er woonden. De lokale gebruiken en ook de lokale godsdienst namen zij over. Nu wordt de tempel herbouwd en willen zij graag hun steentje bijdragen. Die tempel is per slot van rekening voor dezelfde God als die zij vereren.

Maar dat wordt hen geweigerd, want zo wordt als reden gegeven dat de koning alleen aan de bouwers de opdracht heeft gegeven om de tempel te herbouwen. Niet aan die mensen daar in de buurt. Zelf denk ik dat hier een trek naar boven komt die door het boek Ezra heen loopt. Het Joodse geloof is niet alleen iets van een overtuiging maar het wordt ook bepaald door je genen, om het modern te zeggen. Door hoe je stamboom is. Het herstel van de orde brengt hier het uitsluiten van andere groepen met zich mee.

Het is niet alleen door de mensen die willen helpen dat de herstelde orde bedreigd wordt. De mensen die er al woonden, zien die nieuwkomers als indringers en de herbouw van de tempel maakt hen bang. Wat zal dat voor hen betekenen? Niet veel goed verwachten zij. Zodoende doen zij er alles aan om het moreel van de mensen te ondermijnen, hen bang te maken. En als je eerlijk bent, wie zou hen geen gelijk geven?

Orde aanbrengen in een weerbarstige wereld, in ons verhaal merken wij daarvan verschillende pogingen. Een overheid die het grote rijk zo probeert in te richten dat het meest oplevert. Een groep teruggekeerde Judeeërs die de tempel probeert te herbouwen, om zo het verleden te laten herleven. Om verder te gaan in de voetsporen van de grote David, verder gaan in hun dienst aan God. Maar dat zoeken naar orde staat alweer direct onder druk…

Daarmee komt het voor mij heel dicht bij onze tijd. Waar orde scheppen, plannen maken heel lastig is. Het is een hele opgave voor onze overheid - ook voor onszelf - om het coronavirus in te dammen. De cijfers lopen alleen maar op. Wat is wijsheid? Welke keuzes moeten er gemaakt worden? Wat is een verstandige maatregel? Niet altijd is er snel resultaat zichtbaar. Omdat deze crisis langer duurt dan gedacht, wordt iedereen ook onrustiger. Het geduld raakt op.

Orde aanbrengen in een weerbarstige wereld… ook wijzelf hebben daarmee te maken in het beleven van deze tijd, doen onze pogingen. Wat is het dan dat dit verhaal ons aanreikt, ons helpt bij die zoektocht?

Wat mij aan het denken zette, was de beleving van de leiders en van het volk: zij keken anders tegen de situatie aan die Perzen deden. Ze betrokken het gebeuren op God: de terugkeer en de herbouw was een teken van Gods trouw. Een vraag voor mijzelf is dan: hoe moet ik deze tijd beleven? Hoe kan ik hem betrekken op God?

Dan denk ik zelf niet in de vorm van een straf van God of iets dergelijks, dat wij zo naar onze tijd moeten kijken, maar eerder de vraag: hoe houd je het uit? Hoe helpt het geloof daarbij? Het vertrouwen in God.

Het verhaal van vandaag herinnert mij eraan hoe plaatsen en ook tijden je daarbij kunnen helpen. Die mensen kwamen samen rond het fundament van de tempel, daarin voelden zij een herstel van orde. Dat doet mij denken aan deze plek, de kerk als baken. Als een ordening in onze tijd.

Dan is dit gebouw voor mij meer dan alleen een gebouw. Met dit gebouw komt gelijk God mee. Als wij hier samen zijn, verbinden wij onszelf met God, door het gebed, door de liederen, door de woorden. Door stil te zijn. Wij ordenen ons leven gericht op God. Brengen ons leven in verbinding met Hem.

Daarin staan wij in een lange rij van mensen die ons daarin zijn voorgegaan. Door hun aanwezigheid ooit in dit gebouw, met hun gebed en met hun lied, met de woorden die ooit gesproken zijn. In hun spoor gaan wij verder. Volgen hun lijn.

Maar juist in deze tijd kunnen wij niet allemaal in dit gebouw zijn, maar de orde is er niet alleen door deze kerk. Het is ook de tijd die orde schept, bijvoorbeeld deze dag, de zondag. Het is een breuk in de tijd, die even de gang van het leven onderbreekt. Een dag die herinnert aan God, een dag waarin leven betrokken wordt op de Eeuwige.

Niet alleen vandaag, op alle dagen van de week kun je momenten maken, waarmee wij ons leven ordenen. Waarmee wij ons leven betrekken op God door gebed, door muziek, door wat wij lezen. Momenten die orde scheppen in de onrust.

Hoewel ik regelmatig aan die ervaring van die man moet denken met zijn beleving van de tuin, wil en durf ik mij niet terug te trekken in een kleine, overzichtelijke wereld. Daarmee wordt het leven niet beter. Hoe weerbarstig ook de wereld, wij moeten zoeken naar structuur in die grote wereld. Wat dan helpt, is ons leven betrekken op de Eeuwige.

Amen   
terug