Preek ds. Michiel Pronk Preek ds. Michiel Pronk
Verkondiging naar aanleiding van 1 Johannes 1: 1-7

Gemeente van onze Heer Jezus Christus,

Bij Bijbelverhalen kan het je op eenzelfde manier vergaan als bij mensen en dat is dat je in een contact afgaat op je eerste indruk. Je ziet bijvoorbeeld iemand nors kijken en je denkt: dat zal wel een onaardig iemand zijn. Het tegenovergestelde kan ook. Je ziet iemand glimlachen en je denkt: wat een vrolijk persoon. Dat diegene zich misschien helemaal niet zo vrolijk voelt, merk je niet op het eerste gezicht. Daarvoor moet je iemand langer spreken, beter leren kennen.

Als ik voor de kerkbode of 4-Luik een stukje schrijf over teksten die op zondag in de dienst centraal staan, ga ik meestal af op mijn eerste indruk. Ik bekijk het Bijbelgedeelte even snel en denk dan: het zal daar wel over gaan. In het gedeelte uit de eerste brief aan Johannes zag ik de woorden ‘leven’ en ‘licht’ staan en mijn gedachte was: dat zullen wel de kernwoorden zijn in dit gedeelte. Ik had dat zo samengevat: Pasen is leven in het licht.

Nu ik langer met deze tekst mee bezig ben geweest, is mij toch wat anders opgevallen en dat is de nadruk die Johannes legt op de band met elkaar. Johannes zegt dan niet: ‘Ik voel mij verbonden met God en daarmee ook verbonden met de mensen om mij heen.’ Nee, het is eerder andersom: wij zijn verbonden met elkaar en daarom verbonden met God. De gemeenschap met elkaar komt voor de persoonlijke verbondenheid met God.

Dat Johannes het op die manier zegt, heeft te maken met de situatie van de kerk in die dagen. Hoewel er dan tweeduizend jaar zit tussen toen en nu vielen mij de overeenkomsten met onze tijd op. Denkend aan de eerste christengemeente kun je snel de gedachte hebben aan een vastomlijnde groep met gelijke ideeën, maar dat was niet zo. Er was juist een grote verscheidenheid aan gedachten en ideeën. De grote vraag was – een vraag waar wij ook voor staan: wat betekent het om christen te zijn? Wat aanvaard je? Wat wijs je af? Wat heb je gemeenschappelijk?

Johannes benoemt in ons gedeelte wat volgens hem het geloof inhoudt, qua overtuigingen en qua levenswijze. Dat begint al in de openingswoorden: ‘Wat er was vanaf het begin […] dat verkondigen wij’. Het christendom was toen een nieuwe beweging en toch zegt Johannes: dit nieuwe was er altijd al. Vanaf het eerste begin af aan. In mijn woorden: met Jezus is niet iets radicaals nieuws gekomen. God is toen niet veranderd. In Jezus was Hij aanwezig zoals Hij ook aanwezig was bij het volk Israël. En nog verder terug de geschiedenis in.

Zo was God er en zo toont hij zich in Jezus. Dan lijkt ons verhaal wel wat op dat van vorige week, toen het ging over Thomas die wilde zien en voelen. Ook nu komen al de zintuigen aan bod: ‘wat wij gehoord hebben, wat wij met eigen ogen gezien en aanschouwd hebben, wat onze handen hebben aangeraakt, dat verkondigen wij…’ Je denkt dan dat wij hier te maken hebben met een ooggetuige, iemand die erbij is geweest. Het allemaal heeft zien gebeuren.

Dat zou kunnen. Een andere mogelijkheid is dat hier toch een volgende generatie aan het woord, iemand die het zo opschrijft, alsof hij erbij was. Het deed mij denken aan iemand bij wie ik wel op bezoek kwam. Hij kon zo over het bombardement op Rotterdam vertellen, dat je het idee kreeg dat hij het zelf had meegemaakt. Dat was niet zo. Het was zijn vader. De zoon had het verhaal zich zo eigen gemaakt. Dat zou ook heel goed het geval in ons gedeelte kunnen zijn: de schrijver weet zich zo verbonden met de vorige generatie dat hij zichzelf ooggetuige voelt.

Dat ik wel wat voel voor deze verklaring, komt door die nauwe verbondenheid. Dat je zo verbonden weet met hen die je zijn voorgegaan. Dat heeft voor mij iets moois. Dat je je met hen zo verbindt.

Dat Johannes zichzelf presenteert als ooggetuige, heeft wel een bepaald doel. Wij hechten zelf altijd meer waarde aan iemand die het zelf gezien heeft, erbij was, dan aan iemand die het van horen zeggen heeft. Het gaat Johannes ook om dat gezag, want dat heeft hij nodig. In de gemeente zijn er mensen met afwijkende ideeën. Hen probeert hij te overtuigen: wij hebben gezien en gehoord….

Wat die afwijkende ideeën van die andere gelovigen waren, is niet helemaal duidelijk. Waarschijnlijk stonden zij onder invloed van de gnostiek. Dat was een stroming die sterk dacht in tegenstellingen: het aardse tegenover het goddelijke, licht tegenover donker, het lichaam tegenover de geest. Daarbij werd het aardse en het lichaam negatief gewaardeerd. Het ging om het hogere, om de Geest.  

Johannes denkt dan niet: tja, zo kun je er ook naar kijken. Ik denk zo en jullie zo. Dat is allemaal je goed recht. Hij zet niet op individualisme, ieder zo zijn eigen idee, het gaat voor hem om de gemeenschap: ‘Wat wij gezien en gehoord hebben, verkondigen we ook aan u, opdat u met ons verbonden bent. En verbonden zijn met ons is verbonden zijn met de Vader en met zijn Zoon Jezus Christus.’

Hierin horen wij die menselijke eenheid, die als noodzakelijk wordt gedacht voor de verbondenheid met God.  Die grote verscheidenheid aan gedachten wordt als bedreigend ervaren voor de gemeenschap, voor de band met God.

Die verscheidenheid aan ideeën is voor Johannes niet alleen bedreigend voor de verbondenheid met elkaar en zo met God, maar ook voor hoe men als gelovige in de wereld staat, voor de levenswijze als christen.  Binnen gnostische stromingen werd neergekeken op de aardse werkelijkheid, daar ging het niet om. Dat had ook invloed op hoe men met elkaar omging. Daar werd niet zoveel waarde aangehecht.  Voor Johannes komt het daar juist op aan: wij moeten gaan in het licht en niet in de duisternis. Het is van groot belang hoe je met elkaar omgaat. De leidraad voor Johannes is dan de liefde. Het gaat om een liefdevolle houding, zoals onze eerste lezing het zei: ‘Heb je naaste lief als jezelf. Ik ben de HEER.’ Zo hoort een gelovige in de wereld te staan.

Leven in verbondenheid met elkaar en zo verbonden zijn met God, dat is wat Johannes ons mee wil geven. Daar voegt hij aan toe: het gaat er ook om hoe je leeft, dat je leeft in het licht, leeft vanuit de liefde.   

Verbonden met elkaar, al werkenderwijs bekroop mij deze week het gevoel dat je in een winkel kunt hebben. Je ziet iets mooi, je vraagt advies van de verkoper en je wilt het wel hebben, maar dan zie je het prijskaartje…. Dan is er dat moment van twijfel, overleg met jezelf: ga je voor dat mooie, terwijl het je veel kost of deins je er toch terug? Nee, laat toch maar hangen…

Dat gevoel is er bij mij door het kerkzijn die Johannes hier predikt. Dat is volgens mij heel anders dan zoals wij dat doen. In mijn ogen prijst hij het katholieke model aan: waar de eenheid voor de verscheidenheid gaat, waar de verbondenheid met elkaar, de kerk, de verbondenheid met God belichaamt, waar er die verbinding is met het voorgeslacht, verpersoonlijkt door de bisschoppen en in het bijzonder door de Paus als opvolger van Petrus.

In onze protestantse traditie kijken wij daar heel anders tegenaan. Het is juist de verbondenheid met God die voorafgaat aan die met anderen. Het gaat om je vrije geweten, om jouw relatie met God. Om hoe je dat persoonlijk ervaart.

Ik voel mij ook thuis binnen die traditie en ook bij hoe kerkzijn in onze tijd wordt beleefd. Je gaat naar de kerk waar jij thuis voelt, die past bij hoe jij het geloof beleeft: in hoe er over God gesproken wordt, wat de cultuur in een kerk is, welke liederen er gezongen worden. Er zijn zoveel dingen die bepalen of je je ergens thuis voelt.  

Ondanks die nadruk op het persoonlijke zit er in de protestantse traditie wel een bepaalde tegenstrijdigheid. Als ik aan de oudere generatie zou vragen: hoe heb je de kerk van je jeugd beleefd? Diezelfde vraag kun je stellen aan hen die afkomstig zijn uit een behoudend deel van de kerk komen. Het antwoord zal meestal denk ik hetzelfde zijn en dat is dat er niet die vrijheid was om zelf te denken. Eerder dat je voegde in wat er verteld werd. Een bepaalde leerdwang was. De gemeenschap ging voor de persoonlijke vrijheid. De protestantse gewetensvrijheid was er helemaal niet.

Daarmee kom je op een spanningsveld, dat volgens mij gegeven is met hoe onze wereld in elkaar zit: aan de ene kant willen wij vrij zijn in hoe wij denken, geen dwang ervaren, de andere kant is dat, als iedereen op een eigen wijze denkt, ieder zo zijn eigen ideeën heeft, wordt een gemeenschap vormen heel moeilijk. Je moet wel delen, iets gemeenschappelijks hebben, anders valt alles in los zand uit elkaar. Dat geldt voor de kerk, maar evengoed voor de samenleving. Ondanks alle verscheidenheid moet je wel iets met elkaar delen.

‘Wat wij gezien en gehoord hebben, verkondigen we ook aan u, opdat u met ons verbonden bent. En verbonden zijn met ons is verbonden zijn met de Vader en met zijn Zoon Jezus Christus.’ Johannes hamert hier op die gemeenschap, op wat je deelt, qua overtuigingen en qua levenswijze. Ik ervaar dat als een indringende vraag aan ons: wat deel je met elkaar? Wat heb je gemeenschappelijk?  Waarin zijn wij een eenheid?

Wat wij in mijn ogen met elkaar delen, is dat wij ons christenen noemen. Dat wij gaan in het spoor van Jezus, ons verbonden weten met Hem en met de God die Hij ter sprake bracht. Dat wij ons verbonden weten met al die mensen die ons daarin zijn voorgegaan. Dat wij ons verbonden weten met allen die ook in dat spoor willen gaan…

Dan wordt het toch wel erg spannend…. Wie heeft niet met ongemak gekeken naar die beelden van die twee kerken die pas hun kerkdeuren wijd hadden openstaan en zoveel mogelijk mensen wilden verwelkomen? Dan denk je toch: gelukkig hoor ik daar niet bij, is dat niet mijn kerk? Maar ja, is dat wel zo: horen zij niet bij ons? Horen wij niet bij hen?

Bij elkaar horen… Het verhaal van vandaag herinnerde mij ook aan hoe wij in Leens woonden. Daar woonden wij tussen twee kerken in. Aan de ene kant stond de kerk waar ik predikant was, naast ons huis stond een bakkerij en dan kwam de volgende kerk. Zo lang wij daar woonden, vond ik het normaal, zo was het nou eenmaal. Nu treft mij toch wel de vreemdheid daarvan. Dat in ons land ieder zo zijn eigen filiaal van de Heer heeft.

Ik weet wel dat het nooit wat wordt om al die kerken bij elkaar te krijgen en je al blij mag zijn als ieder elkaar in zijn waarde laat, maar ik denk dan toch dat gaan in het Licht betekent dat je zoekt naar verbindingen, naar zichtbare, tastbare verbondenheid. Als het daarin al niet lukt om een liefdevolle houding hebben, wat wordt er dan van onze taak in de wereld?

Op het eerste gezicht…dan lijken de woorden van Johannes niet zo moeilijk, al is leven in het Licht een hele uitdaging. Johannes daagt ons uit tot meer dan dat: leven in het licht betekent verbondenheid, verbonden met elkaar en zo met God.

Amen
 
terug