Preek ds. Michiel Pronk Preek ds. Michiel Pronk
Verkondiging naar aanleiding van Marcus 10: 46-52

Gemeente van onze Heer Jezus Christus,

Het is niet echt een oogstdiensttekst, dat gedeelte dat wij uit Marcus hebben gehoord. Het gaat niet over groeien, bloeien, oogst of schepping.  Ik heb nog even gedacht om een andere tekst te zoeken, maar ik ben, zoals u al gemerkt hebt, toch maar gebleven bij dat verhaal over Bartimeüs. Daarbij houd ik mij maar vast aan zoiets als het combineren van kleding: daar geldt vaak dat juist het contrast positief werkt. Het maakt dat de kleuren meer tot hun recht komen. Daarom vandaag een contrasterend verhaal en dan hoop ik dat het verhaal meer kleur geeft aan vandaag, een oogstdienst en ook andersom, de oogstdienst aan dit verhaal.

Met deze oogstdienst staan wij stil bij wat de schepping ons gegeven heeft aan opbrengsten van het land: het graan, de aardappels, alle groentes en ga zo maar door. In deze dienst merken wij zo de gang van de seizoenen. Wij leven in de herfsttijd. De oogst is binnen, de natuur maakt zich op voor de winter. Die jaargetijden geven structuur aan de tijd en ons leven.

Zo hoort een oogstdienst bij het ritme van het leven, bij de gang van de seizoenen. De tijdsbeleving die daarbij hoort, is die van de weerkeer, herhaling. Elk jaar opnieuw deze dienst, het is de cirkel van de jaargetijden die altijd voortduurt.

Tegenover dat tijdsbesef als weerkeer staat in ons verhaal een ander tijdsbesef, van tijd die onherhaalbaar is, waarbij vandaag radicaal anders kan zijn dan gisteren of morgen. Er gebeurt iets en dat keert niet terug. Er is iets nieuws en dat bepaalt, tekent de toekomst.

Die tijdsbeleving kom je door heel het evangelie heen tegen, maar vandaag worden wij erbij bepaald door het verhaal van die blinde Bartimeüs. Op het eerste gehoor klinkt ons verhaal als een genezingsverhaal, vrij simpel: iemand wordt genezen, een blinde man wordt ziende. Als je echter in de Bijbelcommentaren kijkt, is daar twijfel over. Is het wel een genezingsverhaal? En: als het al een genezingsverhaal is, gaat het om een fysieke genezing of gebruikt Marcus, de schrijver, dit verhaal veelmeer als beeld van ‘tot inzicht komen?’  Zo is dat simpele verhaal van Bartimeüs omgeven met heel veel vragen.

 Nu ik dat zo zeg, moet ik denken aan iemand in Leens en die zei vaak bij een gesprekskring: ‘Je mout nait te stoer denken...’ Niet te moeilijk denken, te moeilijk maken. Het is niet mijn insteek om het moeilijk, lastig te maken, maar om met al die vragen juist dichter te komen bij wat Marcus ons wil vertellen.

Dan eerst maar even die vraag ‘waarom er getwijfeld wordt of dit wel een genezingsverhaal is?’ Die twijfels zijn er door enkele details in ons verhaal. Zo wordt de naam van de blinde man genoemd wordt, Bartimeüs. Namen komen wij eigenlijk nooit tegen bij genezingen: mensen blijven naamloos of wij horen over het familieverband zoals de dochter van Jaïrus. Dit keer klinkt er wel die naam.

Wat ook genoemd wordt, is het beroep van Bartimeus: hij is bedelaar. Dat is de manier waarop hij aan zijn geld komt. Het meest opvallende is wat Bartimeüs doet als hij door Jezus genezen is: ‘En hij volgde hem [Jezus] op zijn weg.’ Ook dat gebeurt bijna nooit bij genezingen. In een ander verhaal waarin iemand genezen wordt en Jezus wil volgen, wordt dat hem door Jezus verboden. Hij mag niet achter Jezus aangaan, maar deze man, Bartimeüs, gaat wel mee.

Het noemen van de naam, van het beroep, het volgen van Jezus, al die dingen komen wij tegen in andere verhalen, roepingsverhalen zoals bij de roeping van de eerste leerlingen: Petrus was een visser en hij volgde Jezus. Zo heeft ons genezingsverhaal de trekken van het roepingsverhaal.

Eigen aan een roeping is dat het inbreekt in de tijd. Er gebeurt iets en dat zet de wereld op zijn kop, vandaag is anders dan gisteren. Petrus merkte dat: het gebruikelijke, zijn werk als visser, liet hij achter zich om met Jezus mee te gaan. De wereld van de weerkeer, herhaling werd verlaten.  

Een roepingsverhaal, die trekken heeft onze geschiedenis van vandaag, maar waarom, waarom zit het in dit verhaal? Dat heeft te maken met de plek van ons verhaal in het Marcusevangelie. Die plaats klinkt al door in de stad waar Bartimeüs bij zat en dat was bij Jericho. Jericho was de laatste stop voor reizigers uit het noorden die op weg waren naar Jeruzalem. Jezus is op weg naar Jeruzalem. Wij weten wat dat betekent: dat is de plaats waar Jezus zal lijden en sterven. Deze genezing, roeping gebeurt dus bij die laatste stop.

Jezus’ lijden is wat komt, maar ons verhaal wordt ook bepaald door wat geweest is. Wat hieraan voorafgaat, is onbegrip van de leerlingen. Jezus heeft het gevoel dat de leerlingen niet goed door hebben wie hij is en wat er op het spel staat. Zo hebben twee leerlingen, terwijl zij onder weg waren naar Jericho, gevraagd om de mooiste plek naast Jezus in Gods koninkrijk. Uit die vraag blijkt voor Jezus dat zij niet helemaal helder hebben waar het omgaat. Het gaat niet om heersen, om de mooiste plek te hebben, maar dienen: ‘Ook de Mensenzoon [Jezus zelf] is niet gekomen om gediend te worden, maar om te dienen en zijn leven te geven als losgeld voor velen.’

Deze samenvatting van Jezus’ missie staat direct voor ons gedeelte. Het zijn de laatste woorden die klinken. Dan vindt er die genezing/roeping plaats. Daarmee krijgt dat verhaal van Bartimëus heel veel lading. Het is voor Marcus niet een simpele genezing: een blinde man kan weer zien. Bartimeüs is voor Marcus een beeld van een leerling die ziende wordt, het gaat zien, het doorheeft. Die weet wat het betekent om Jezus te volgen.

Dat Bartimeüs het door heeft, blijkt uit een wat apart, bijzonder detail in ons verhaal. Jezus zegt tegen de mensen, als Bartimeüs zo zit te roepen, dat zij hem bij Jezus moeten brengen. Wat Bartimeüs dan doet, is dat hij zijn mantel van zich afgooit, opspringt en naar Jezus gaat. Het gaat dan om die mantel.  Het is onlogisch dat Bartimeüs op dat moment een mantel aan had: zijn jas was voor hem gereedschap. Bedelaars spreiden hun jassen voor zich uit, zodat de mensen daar hun geld op konden gooien. Met het afwerpen van zijn mantel laat Marcus zien dat deze man alles achter zich laat om Jezus te volgen, om mee te gaan op de weg die Jezus gaat, op naar Jeruzalem.

Zo is Bartimeüs voor Marcus meer dan een blinde man die weer ziende wordt. Hij is een beeld van al die leerlingen die het zien, gaan zien, het doorhebben. Bartimeus belichaamt met het navolgen van Jezus een andere tijdsbeleving dan de weerkeer. Hij belichaamt de tijd als een inbreuk op het bestaande, dat vandaag anders is dan gisteren. Dat wij gericht zijn op de toekomst.

De tijd beleven als cirkel, als weerkeer en de tijd beleven als voortschrijdend, onherhaalbaar, met breuken, gericht op de toekomst. Die verschillende belevingen van de tijd staan naast elkaar, maar hebben ook een spanningsvolle verhouding tot elkaar.

Dat zij naast elkaar staan, merk je bijvoorbeeld in het Oude Testament, waar wij twee figuren tegenkomen die ieder zo een eigen tijdsbeleving belichamen: de priester is daar de gestalte van de weerkerende tijd, van meegaan met de seizoenen. De taak van de priester veranderde nooit, bleef hetzelfde. Tegenover die priesters stonden profeten, mannen en vrouwen met kritiek op het bestaande. Zij waren radicaal, wezen op breuken in de tijd, waren gericht op de toekomst. Daarmee waren profeten heel uniek, zeker in de oudheid waar meestal de tijd werd beleefd als cirkel, weerkeer aller dingen.

Een oogstdienst zie ik in de lijn van de priester, van meegaan met de seizoenen. Voor mij is het ook belangrijke kant van geloven dat wij God betrekken op de jaargetijden, op de gang van de natuur, want anders gaat het geloof in de lucht hangen, raakt het maar weinig aan ons leven. Die kringloop van de seizoenen is zo bepalend voor ons bestaan.

Bij die oogst, kringloop moet ik juist ook denken aan ons verhaal van Bartimeüs, van dat je iets ziet, leert zien, doorkrijgt. Pas was ik met iemand in gesprek en wij hadden het erover dat je al zoveel de herfstkleuren ziet. Degene zei: ‘Het is een wonder dat het zo gebeurt.’ Heel veel mensen zullen zeggen: ‘Er is niets wonderlijks aan, dit is de gang van de natuur.’ Dat kun je ook zeggen over alle gaven van het land, over alle gewassen. Het is er gewoon. Vanuit het geloof kijken wij anders, zien wij meer: herkennen wij daarin Gods betrokkenheid op onze aarde.

Dat meer zien dan het gewone uit zich voor mij in dankbaarheid. Dat wij God danken voor zijn goede gaven. Voor de schepping, voor de gang voor de natuur. Dat danken is denk ik iets wat je moet leren zien.

De gang van de natuur, de kringloop van de seizoenen, het geloof leeft niet alleen daarvan, van God die zegent, maar ook of juist van het radicale, dat inbreekt in de tijd, inbreekt in ons leven. Bartimeüs stond op en volgde Jezus op zijn weg, zijn weg naar Jeruzalem.

Dat het radicale zo tekenend is voor het geloof, heeft ermee te maken met een grondtoon in het evangelie, in heel de Bijbel, dat dat het bestaande niet altijd goed is. Met de tijd belevend als weerkeer kan dat gevoel wel postvatten, dat het bestaande, het gewone zo is en zo hoort te zijn. Denk dan vooral aan gezagsverhoudingen, ieder die zo zijn plek heeft in de samenleving waarbij er geen verandering mogelijk is.

Bij dat gewone legt Jezus de vinger dat het evangelie het bestaande doorbreekt, de wereld op z’n kop zet. Daarom is het mooi om juist in deze oogstdienst dit verhaal van Bartimeüs te horen, die roeping, omdat het laat zien dat het evangelie niet samenvat met de gang van de natuur, maar iets radicaals nieuws inbrengt: een andere manier van met elkaar omgaan, van anders de wereld kijken, van keuzes maken. Van leven gericht op de toekomst.

Het verhaal van Bartimeüs, een oogstdiensttekst is het niet en ook niet echt een genezingsverhaal. Meer lijkt het een roepingsverhaal, opgeroepen om het bestaande te verlaten en gehoor te geven aan die radicale stem. Het is misschien een contrast met vandaag, maar hopelijk laat het juist de verschillende tonen meer tot zijn recht komen.

Amen
terug